Maatschappelijk Verantwoord Innoveren

Frequenty Asked Questions

Wie kunnen indienen?

Voor welke onderzoeksthema's kunnen aanvragen worden ingediend?

Kunnen onderzoekers van niet-universitaire (onderzoeks)instellingen ook een aanvraag indienen?

Kunnen onderzoekers van niet-universitaire (onderzoeks)instellingen ook als uitvoerder binnen een project worden opgenomen?

Wat is de subsidieomvang voor een onderzoeker van een niet-universitaire (onderzoeks)instelling die als uitvoerder in een project is opgenomen?

Moeten onderzoekers uit ontwikkelingslanden aangesteld worden aan een Nederlandse universiteit?

Krijgen onderzoekers uit ontwikkelingslanden een Nederlands salaris of een living allowance?

Kunnen onderzoekers uit ontwikkelingslanden een aanstelling krijgen aan een Nederlandse universiteit?

Wanneer een aanvraag wordt ingediend in het kader van de MVI-Call for Proposals, kan deze dan op hetzelfde moment bij een ander NWO-onderdeel worden ingediend?

In de richtlijnen voor het opstellen van een vooraanmelding wordt twee keer gevraagd naar de samenwerking tussen alfa-, beta- en gamma-onderzoekers. Moet dat op verschillende manieren worden uitgewerkt?

Waartoe dient een weerwoord?



Wie kunnen indienen?

Aanvragen kunnen worden ingediend door senioronderzoekers van Nederlandse instellingen voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en/of onderzoekers van de door NWO erkende instituten of van een internationaal centrum voor wetenschappelijke opleiding in Nederland. Onderzoekers die niet verbonden zijn aan een door NWO erkende instelling, kunnen in samenwerking met universitaire senioronderzoekers een aanvraag indienen.

Toelichting:

  • Met de internationale centra voor wetenschappelijke opleiding in Nederland worden bedoeld ISS (Institute of Social Studies Den Haag); UNESCO-IHE Delft; IHS (Housing Studies, Rotterdam); ITC Enschede en MSM (Maastricht School of Management). Zie voetnoot 1 in de Call for Proposals

  • Door NWO erkende instituten zijn de NWO- en KNAW-instituten, alsmede het Nederlands Kanker Instituut. Zie regeling subsidieverlening NWO, art. 2.1 en 2.2 (Procedure en voorwaarden subsidieregeling)


Voor welke onderzoeksthema's kunnen aanvragen worden ingediend?

Subsidieaanvragen moeten uitwerking geven aan de thema's van het MVI-programma. Een overzicht van deze thema's staat in paragraaf 2.6 van de Programmanotitie, een beschrijving in hoofdstuk 3 (de onderzoeksagenda) van de Programmanotitie. Deze thema's zijn limitatief en niet illustratief.



Kunnen onderzoekers van niet-universitaire (onderzoeks)instellingen ook een aanvraag indienen?

Onderzoekers die niet verbonden zijn aan een door NWO erkende (onderzoeks)instelling (niet universitaire onderzoekers) kunnen in samenwerking met universitaire senioronderzoekers een aanvraag indienen. Hieraan zijn bepaalde voorwaarden verbonden. Zo mag de deelname van de niet-universitaire (onderzoeks)instelling geen commercieel oogmerk hebben of anderszins een economisch belang in zich dragen.



Kunnen onderzoekers van niet-universitaire (onderzoeks)instellingen ook als uitvoerder binnen een project worden opgenomen?

Wanneer onderzoekers van een niet-universitaire instelling ook een deel van het onderzoek uitvoeren, is de regeling als volgt. Wanneer het gaat om een periode langer dan een jaar, kan dat alleen wanneer de onderzoeker aan de universiteit wordt aangesteld. Voor de periode tot een jaar is het ook mogelijk dat de betreffende onderzoeker vanuit haar/zijn eigen organisatie aan het onderzoek deelneemt. In dat geval kan daarvoor in de aanvraag een vervangingssubsidie worden aangevraagd.



Wat is de subsidieomvang voor een onderzoeker van een niet-universitaire (onder zoeks)instelling die als uitvoerder in een project is opgenomen?

Een niet-universitaire onderzoeker mag zich gedurende een periode van max. 12 maanden laten vervangen op basis van 1,0 fte. De kosten voor de vervanging komen voor subsidie in aanmerking tot een max. bedrag van€ 50.000. Deze kosten dienen door de niet-universitaire instelling waar de onderzoeker in dienst is, gedeclareerd te worden bij de wetenschappelijke instelling waar het onderzoek wordt uitgevoerd. Bij de declaratie dient te worden aangegeven hoe in de vervanging is voorzien. In het geval van een (tijdelijke) aanstelling gelden de bedragen uit het akkoord van NWO met de VSNU. Deze bedragen zijn gebaseerd op het CAO-NU. De vergoeding wordt berekend op basis van duur en omvang van de aanstelling en heeft een lumpsum karakter.



Moeten onderzoekers uit ontwikkelingslanden aangesteld worden aan een Nederlandse universiteit?

Onderzoekers uit ontwikkelingslanden hoeven niet bij een Nederlandse universiteit aangesteld te worden. De onderzoeker kan vanuit zijn thuisland bijdragen aan het onderzoek en komt daarbij in aanmerking voor een (aanvullende) living allowance. De noodzakelijke reis en verblijfskosten van de betrokken onderzoeker dienen te worden aangevraagd middels het materiële budget.



Krijgen onderzoekers uit ontwikkelingslanden een Nederlands salaris of een living allowance?

Onderzoekers uit ontwikkelingslanden kunnen als aio of als postdoc (ingeval van een gepromoveerde senioronderzoeker) deelnemen in een project. Zij kunnen al of niet reeds een aanstelling hebben in het land van onderzoek. Het is aan de aanvragers om te bezien in hoeverre er een (aanvullende) living allowance wordt aangevraagd voor de uitvoerende onderzoeker. Het is eveneens aan hen om te bepalen of dit van toepassing wordt geacht bij verblijf in het ontwikkelingsland en in Nederland. Voor het verblijf op basis van een living allowance in Nederland geldt een maximale termijn van 12 maanden. Indien er sprake zou zijn van een langer aaneengesloten verblijf van de buitenlandse onderzoeker dient hij vanaf het begin te worden aangesteld bij de Nederlandse universiteit en uiteraard dienen dan de zaken rond verblijf en de werkvergunning op gepaste wijze geregeld te zijn.



Kunnen onderzoekers uit ontwikkelingslanden een aanstelling krijgen aan een Nederlandse universiteit?

De mogelijkheid bestaat dat een onderzoeker uit een ontwikkelingsland op een aio- of postdocpositie aan de Nederlandse instelling wordt aangesteld indien de aa nvragers dit zouden wensen. Als de onderzoeker langer dan 12 maanden aaneengesloten in Nederland aan het onderzoek werkt, dient hij/zij aangest eld te worden aan de Nederlandse instelling waar het onderzoek wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van de maximale subsidie gelden hierbij dan de reguliere vergoedingnormen op basis van het contract NWO-VSNU. Zij dienen zaken als visa etc. echter zelf te regelen.



Wanneer een aanvraag wordt ingediend in het kader van de MVI-Call for Proposals, kan deze dan op hetzelfde moment bij een ander NWO-onderdeel worden ingediend?

Dat is inderdaad mogelijk, als u daar bij beide instanties melding van maakt. Uiteraard dient aan de voorwaarden van de betreffende subsidie-instrumenten te worden voldaan.



In de richtlijnen voor het opstellen van een vooraanmelding wordt twee keer gevraagd naar de samenwerking tussen alfa-, beta- en gamma-onderzoekers. Moet dat op verschillende manieren worden uitgewerkt?

Onder punt 5 van de 'Richtlijnen voor het opstellen van een vooraanmelding' (Call for Proposals) wordt met 'expliciteer' bedoeld dat schematisch/puntsgewijs aangegeven wordt hoe de samenwerking in elkaar zit. De beschrijving van de samenwerking (bv. wat gaat er gebeuren?, hoe wordt de samenwerking vormgegeven?, wat voor activiteiten zullen er plaatsvinden?, etc.) moet worden gegeven onder punt 6, waarvoor in totaal (dus voor heel punt 6) maximaal 1500 worden gebruikt mogen worden.



Waartoe dient een weerwoord?

Voor vrijwel alle subsidievormen geldt, dat een ingediend onderzoeksvoorstel wordt voorgelegd aan externe beoordelaars. Aan de hand van een gestructureerde vragenlijst geven zij hun oordeel over de aanvraag. De indiener van de aanvraag ontvangt vervolgens deze beoordelingsrapporten en heeft de mogelijkheid om schriftelijk te reageren op de kanttekeningen van de referenten. Die reactie dient te bestaan uit een zo overtuigend mogelijke weerlegging van de kritiek van de adviseurs, dan wel uit een nadere toelichting op die punten in het voorstel, die naar het oordeel van de adviseurs nadere uitleg behoeven. Zo nodig kan de aanvrager in de repliek ingaan op de kwaliteit van de adviezen of deze plaatsen in een wetenschappelijke en of institutionele context. Dat kan zinvol zijn, wanneer hij of zij de indruk heeft dat de geventileerde kritiek te verklaren valt vanuit een andere visie op de te onderzoeken problematiek of misschien zelfs vanuit het feit dat een referent afkomstig is uit een andere 'school'.

Sommige aanvragers onderschatten het belang van het weerwoord. Ook wanneer er positieve adviezen op tafel liggen, verdient het altijd aanbeveling om een reactie te geven, al is het maar om nogmaals de positief gewaardeerde punten te onderstrepen.

Het schriftelijk weerwoord moet beknopt en zakelijk zijn. Het is dus niet de bedoeling dat het weerwoord wordt aangegrepen om een herschreven versie van de aanvraag in te dienen. Een al te uitvoerig weerwoord kan bovendien de indruk wekken, dat er nog veel vragen in het voorstel onbeantwoord zijn gebleven.